Haters

Soms vragen mensen me hoe ik toch omga met al die nare mensen op twitter. En het moet gezegd: er zitten een hoop nare mensen op twitter. Zeker wanneer je zoals ik de neiging hebt om tweets over politieke aangelegenheden te posten, ben je al snel het slachtoffer van een hele horde anonieme accounts die je vertellen dat je niet deugt (of juist wel, is maar net vanuit welke politieke hoek de haat komt), vaak vergezeld van een hele horde scheldwoorden en bedreigingen waar de honden geen brood van lusten. Dat is schandalig natuurlijk, maar ik kan in alle eerlijkheid zeggen: het doet me niks.

Dat is niet altijd zo geweest. De eerste keren dat ik bedreigd werd, nu een jaar of vijf geleden, was ik dagenlang overstuur en bang. Waarom haten mensen mij zo? Komen ze nu naar mijn huis om me iets aan te doen? Wie zijn toch al die anonieme mensen? Het kostte me veel moeite om het van me af te zetten. Best logisch als je bedenkt dat een aantal van die anonieme trollen me bleven bestoken met de oproep om zelfmoord te plegen. Dat ligt in mijn geval nogal gevoelig, en ik was redelijk van de kaart.

Ik schreef destijds een artikel voor de Volkskrant over anonieme pestkoppen, en interviewde daarvoor een aantal prominente mensen met veel meer volgers dan ik, die veel stelselmatiger te maken hebben met dit soort verbaal geweld. En allemaal zeiden ze me hetzelfde: “Gewoon blocken. Al die accounts blocken. Zonder blocken heb je geen leven op Twitter.” Daar had ik nog niet eerder over nagedacht. Blocken vond ik zo onaardig. Maar eerlijk is eerlijk: iemand bedreigen is ook niet heel aardig. En dus begon ik te blocken en te negeren. In het begin veel werk, maar al snel merkte ik wat een rust het oplevert.

Lees hier verder! →

Ik ben weer live

Het is zo ontzettend fijn om weer live te kunnen spelen… Na de fijne shows in november 2019 had ik veel zin om dit jaar weer te gaan touren, en met name in België, omdat ik daar nog niet eerder had gespeeld. Toen de festivalzomer werd afgeblazen was dat voor mij echt best een klap. Het is fijn te merken dat er nu op kleine schaal weer dingen georganiseerd worden, en ik dank de organisaties van de venues en festivals waar ik de komende tijd mag spelen voor hun inzet en geloof in nieuwe kleinschalige live-events. Nu kan ik eindelijk zeggen: Ik ben weer live. EN ik kom naar BELGIË! <3

fragment 7B

Sinds een paar weken ben ik weer dagelijks aan het schrijven, ditmaal aan 7B, de opvolger van Concept M. En omdat ik daar zo veel plezier in heb en jullie dat niet wil onthouden, hier alvast een korte snippet uit hoofdstuk 3!

///

Je weet nooit of de kinderen gestuurd zijn door rebellen om een konvooi op te blazen. Wie lopen er voor de Mercedes uit? Behoren ze tot dezelfde groep als de jongetjes? Menno probeert te kijken en verstevigt zijn grip op de Colt 8EU die hij gekruist voor zich draagt. De Mercedes rijdt steeds langzamer, nog een paar seconden en ze komen tot stilstand. Menno’s hoofd draait op routines die door adrenaline worden aangejaagd. Wie lopen er voor hun voertuig? Behoren ze tot een groep? Is het gecoördineerd? Een van de jongens naast hem beweegt zijn hand richting broekzak. Menno richt zijn wapen. “What are you doing”, schreeuwt hij, wetend dat hij geen antwoord zal krijgen dat er werkelijk toe doet. Zijn wijsvinger spant licht aan. De hand van het jongetje wringt zich in zijn broekzak, Menno kan niet zien of er iets in zijn zak zit dat groot genoeg is om een gevaar te vormen. “Hold your hands where I can see them!” De jongen kijkt geschrokken, maar niet geschrokken genoeg om zeker te weten dat dit de eerste keer is dat hij de loop van een wapen op zich gericht ziet. “Your hands, goddammit!” Menno geeft hem drie seconden. De tijd lijkt zich te versmallen tot een koker tussen Menno’s linkeroog en de blik van het jongetje. Een. Hij twijfelt te lang, denkt Menno. Maar hij twijfelt, dat duidt op een gebrek aan de blinde gehoorzaamheid die hij in de ogen van anderen dacht te kunnen ontwaren, net voor een explosie. Twee. Zijn vinger spant zich nog iets verder aan, tot net voor het punt waar spanning op de trekker met een korte klik overgaat in ontspanning. Haal godverdomme je hand tevoorschijn, kutjoch. Je dwingt me iets te doen waardoor we zodadelijk weer kostbare kwijt zijn aan het in bedwang houden van hordes krijsende vrouwen, huilend en gillend, armen in de lucht, de beelden zijn inmiddels clichématig geworden omdat er nou eenmaal zoveel beeldmateriaal is van groepen vrouwen, in verse rouw gedompeld. Het doet ons weinig meer, maar Menno zo mogelijk nog minder. Haal godverdomme je hand tevoorschijn. De hand van het jongetje trekt zich langzaam terug uit zijn broekzak. Heeft hij iets vast? Zijn vingers lijken gestrekt, hij kan niets vasthebben. Zijn ogen zijn nog altijd gericht op Menno, zijn hand begint te trillen. Drie. Met een stoot zet de Mercedes zich weer in beweging. Het jongetje tilt zijn beide handen razendsnel de lucht in en kijkt Menno na terwijl die zijn geweer laat zakken en ademhaalt.

///

Zweetseizoen

Ik heb een haat-liefdeverhouding met hitte. De zomer is voor mijn humeur veruit het beste seizoen: licht, buiten, bloemen, groen, water: het kost me mentaal veel minder moeite om overeind te blijven dan in de herfst en de winter, waarin alles in het teken staat van kou, donkerte en vergankelijkheid. Maar lichamelijk is de zomer zwaar.

Sinds ik antidepressiva slik (en dat is al best een tijdje) roep ik altijd dat ik zo’n geluk heb dat ik weinig last heb van bijwerkingen. En dat is ook zo. Relatief gezien heb ik weinig last. Ik hou geen vocht vast, heb geen droge mond, geen constante hoofdpijn. Er is één maar, en dat is wanneer het warmer wordt dan 25 graden. Dan begin ik ’s ochtends te zweten, en hou ik niet meer op. Ik hoef maar drie stappen te zetten (letterlijk) en het zweet gutst van mijn hoofd af.

Lees hier verder! →

“Het”

Een paar dagen geleden voelde ik het. Wat “het” is is lastig te omschrijven wanneer je nooit antidepressiva hebt geslikt, maar het betekent dat de pillen beginnen te werken. Het ziet eruit als: wakker worden en na tien minuten bedenken dat ik me nog niet één keer heb afgevraagd hoe ik me voel. Het is: net voordat ik in slaap val denken aan de dingen die morgen op het programma staan en constateren dat ik in al die dingen best wel zin heb, ook al zijn het geen bijzondere of spannende dingen.

Het voelt als: alsof je zo lang tegen de stroom in hebt gezwommen dat je vergeten was hoe het voelt om met de stroom mee te drijven. En dat de zon schijnt.

Niet dat alles nu vanzelf gaat, maar het gaat in proportie. Gisteren voelde ik me niet lekker. Ik had een koffie te veel gedronken (dom!), ik werkte aan een track die maar niet wilde lukken, het regende buiten, ik keek de Netflixserie over Jeffrey Epstein en verloor me in twijfel aan mijn werk en woede over al het onrecht in de wereld.

En heel even voelde ik: als ik nu mijn pillen niet had gehad, dan was ik zo – hopla – het diepe in gedoken, om pas dagen later weer omhoog te klauteren. Ik haalde adem. Pillen lossen onrecht en twijfel niet op, maar zorgen voor een bodem. En dus stond ik op, en besloot Rudi eerder op te halen bij de opvang. En toen dat vierjarige brokje liefde en energie op me af kwam rennen, knuffelde ze me zo hard dat ik mijn evenwicht verloor en omkukelde.

En ik dreef weer mee met de stroom. En de zon scheen, terwijl het regende.

Sukkelen

Acht maanden sukkelde ik. Nee, negen maanden. Vanaf de eerste diepe paniekaanval tot aan het moment, nu acht weken geleden, dat ik mijn oude psychiater belde.

Net voor kerst zeiden mijn ouders al: zou je niet toch gewoon een psychiater zoeken? Ik raakte in paniek, werd boos, begon te huilen. ‘Ik wil niet dat jullie zeggen dat ik het niet goed doe. De huisarts heeft gezegd dat het niet zo ernstig is, en dat het met een paar gesprekken over mindfulness waarschijnlijk gewoon over is. Niet ALLES is meteen een erge depressie.’

Waarom ik zo boos was? Mijn herstelproces, en hoe ik dat aanpakte, was het enige waar ik nog een soort van controle over had. Of het herstellen lukte, hoe ik me voelde, dat was elke dag een loterij. Ik wilde niet dat iemand dat beetje controle van me afnam, ook al zag iedereen hoe slecht het ging en dat er grover geschut nodig was.

Lees hier verder! →

Zwarte vierkantjes

Sinds de Amerikaanse antiracismeprotesten zijn overgewaaid naar Europa laaien er allerlei discussies op die je steeds weer ziet opflakkeren wanneer emancipatiebewegingen opeens enorm groeien – zoals toen #metoo wereldwijd aansloeg. Een van die discussies is er eentje waar ik zelf ook steeds weer tegenaan loop, namelijk: wat denken over mensen die altijd gezwegen hebben en nu “opeens” solidariteit betonen, nu je niet meer met goed fatsoen kunt achterblijven?

En aan de andere kant spreek ik mensen die denken: ik heb me nog nooit uitgelaten over racisme, is het dan niet hypocriet om nu opeens een statement te maken op de sociale media? Is dat niet een beetje makkelijk?

Begrijpelijke vragen. Persoonlijk denk ik het volgende. Iedereen die zich uitlaat over racisme heeft dat ooit voor het eerst gedaan. En of dat nou een opmerking was tegen een racistische buurman, of een zwart vierkantje op instagram: eens is de eerste keer. Bovendien is het nooit te laat om te beginnen met je uit te spreken tegen onrecht. Grijp deze kans aan. Het feit dat je overweegt om mee te doen aan de protesten – digitaal of analoog – zegt in wezen genoeg: je bent tegen racisme. Spreek je uit.

Lees hier verder! →

Single met Stippenlift

Samen met Stippenlift maakte ik de track “Was ik maar dood”, over donkere gedachten. De clip is gemaakt door Vormlust. Loop je zelf met een depressie rond? Schaam je niet, maar praat erover. Dat kan onder andere bij 113 Zelfmoordpreventie.

De recensent

Vandaag was het een Gezaghebbend Literair Recensent die het veld moest ruimen wegens onbehoorlijk gedrag richting jonge debutantes. Ik heb nooit iets van doen gehad met deze recensent, en hij heeft mij altijd genegeerd, tot één vernietigende recensie een maandje geleden, dus ik zal hier geen tirade tegen zijn persoon afsteken. Dat zou niet alleen ongeïnformeerd zijn, maar ook onvermijdelijk rieken naar rancune. En daar gaat het nu niet om.

Daar gaat heel #metoo niet over.

Elke keer dat een machtsmisbruikende hoogwaardigheidsbekleder wordt ontmaskerd is dat natuurlijk een kleine en grote overwinning voor hen die al die tijd van hem (of haar) afhankelijk zijn geweest, maar uiteindelijk gaat het niet om specifieke personen, maar om het web van constante alertheid en zelfverloochening die al deze losse personages tezamen spinnen.

Het gaat allereerst om teleurstelling. Idolen die van hun voetstuk vallen.

Het gaat om de Grote Schrijver van middelbare leeftijd wiens boeken je als tiener verslond, die je op je achttiende na een literaire avond treft in de foyer, die urenlang geïnteresseerd doet wanneer je het hebt over je eigen literaire ambities, jou vervolgens je nummer ontfutselt en je midden in de nacht een sms stuurt. “Wanneer gaan we neuken? Volgende week zijn mijn vrouw en kinderen op vakantie. Ik stuur een taxi, zeg maar welke dag.”

Het gaat om het besef dat langzaam indaalt: het hoort er nu eenmaal bij.

Het gaat om de docent op het conservatorium die je in een dronken bui vertelt dat ze jou hoe dan ook hadden aangenomen. ‘Hoe had dat anders gekund met die mooie tietjes van je?’ Het gaat erom dat je in je verwarring niet weet of je boos of gevleid moet zijn, en leert meelachen alsof je hem respecteert en exact hetzelfde zou hebben gedaan. Alsof je one of the guys bent.

Het gaat om het instinct dat je onherroepelijk ontwikkelt, het instinct om aan de kleinste details te herkennen wat iemands werkelijke intenties zijn.

Het gaat om die keer dat je als jonge artiest gesprekken voert met boekers, labelbazen en managers en verbaasd bent dat je wordt uitgenodigd door een boeker van een Groot Kantoor, en dat hij vervolgens een korte koffieafspraak rekt tot een gesprek van drie uur waarin hij weigert om over jou of je muziek te praten, maar wel zes keer laat vallen dat zijn verkering net uit is. Het gaat erom dat je nooit precies weet waarom je uitgenodigd wordt.

En het gaat over angst en walging.

Het gaat over die keer dat je je maandenlang verheugd hebt op een studiosessie met een Beroemd Producer en hij terwijl je zit te werken aan je track achter je komt staan en vanuit het niets met zijn kruis tegen je schouders begint te wrijven. Het gaat erom dat je eerst denkt: dit is niet echt, ik begrijp het vast verkeerd. En dat je pas wanneer je voelt dat hij een erectie heeft de gedachte toelaat dat het wél echt is. En dat je vervolgens tot je eigen verbijstering hem geen klap geeft, zoals je je altijd had voorgenomen, maar dat je bevriest, je schaamt en dat je gewoon terugkomt voor een volgende studiosessie, gewapend met een lijst tactieken om zonder hem te moeten beledigen toch zonder kleerscheuren de dag door te komen, omdat je die track wil afmaken en geen scène wil schoppen.

Het gaat erom dat je een lijst van tactieken hebt. Maak een grapje, wiebel je met een smoes onder een volgende afspraak uit, zorg dat je niet alleen bent, trek wijde kleding aan. En het gaat erom dat je vervolgens alsnog soms je eigen grenzen overschrijdt. Uit angst werk te verliezen, uit angst voor escalerend geweld, of gewoon omdat je je eigen grenzen al zo vaak hebt moeten verdedigen dat je te moe bent om het nog eens te doen.

Er is een recensent weg, maar er komt een volgende voor in de plaats. Het gaat om dat web van achterdocht en hoe we onszelf leren om onze instincten te negeren. De cognitieve dissonantie waarin we onszelf wijsmaken dat hij het echt heus niet zo bedoelt en dat het heus geen kwaad kan. Het gaat erom dat we ons blijven concentreren op het ontmantelen van dat web, ook na vandaag, na deze recensent, ja zelfs wanneer #metoo z’n kracht heeft verloren en alleen nog bestaat als voetnoot in de geschiedenis.

Kapitalisme-detox

Confession time. Ik heb er al vaker over geschreven, maar het blijft een beetje een heikel punt, omdat ik me er nogal voor schaam. Wat dan? Here goes. Al zo lang als ik me kan herinneren geef ik graag geld uit aan spullen die ik niet per se nodig heb. Ik heb meer dan 50 paar schoenen, drie kasten vol kleding, meer dan 150 kleuren nagellak, twee lades vol met stickers en washitape, meer planten dan in mijn huis passen, 30 brillen en een hele zwik designertassen. En had ik het al over oogschaduwpaletten en lippenstift? Die heb je nooit genoeg, trust me.

Ik weet het: het is een hobby die ik deel met veel mensen, maar ik heb het altijd verontrustend gevonden hoezeer het in de haarvaten van mijn bestaan kruipt. Jarenlang had ik mijn neigingen redelijk onder controle, maar sinds de quarantaine loopt het langzaam weer de spuigaten uit. Want als je de hele dag thuiszit is niks zo leuk als je verheugen op een pakketje, toch?

In mijn geval was de afgelopen periode een dubbele trigger: mijn kooplust wordt erger als ik depressief ben, en als ik me verveel. De afgelopen maanden waren kortom kassa voor het kapitalisme.

En zo begon het weer. Als ik me verveel: even scrollen door Zalando, kijken of iets van mijn verlanglijstje korting heeft. Omdat ik toch nergens heen kan besluit ik de hele slaapkamer en het balkon te verbouwen en bestel ik nieuwe meubels, planten, verf, bloempotjes op marktplaats… oh leuk, mondkapjes naaien. Mag ik best zes nieuwe lappen katoen bestellen met leuke printjes want hey, we gaan er niet saai bijlopen, toch? En trouwens, nu mijn bewegingsruimte beperkt is tot het park voor mijn deur mag ik best inlineskates bestellen om tenminste niet elke dag te moeten gaan hardlopen.

Het gevolg? Wekenlang iedere dag wel een pakketje voor de deur. Superleuk allemaal, maar zo langzamerhand voel ik me meer junk dan kind op sinterklaasavond. En dus ga ik iets doen dat ik eerder al ooit probeerde, maar zonder succes. Ik hoop dat het dit keer wel lukt.

Ik ga drie maanden niks onnodigs kopen. Dat klinkt makkelijk, maar in mijn geval is het dat….. niet. Het betekent honderd keer per dag NEE zeggen tegen mezelf. NEE niet even de Hema binnenlopen. NEE niet even op die insta-reclame klikken. NEE niet even op Marktplaats. Ik heb een mooie beloning in het vooruitzicht gesteld, maar dit is voor mij moeilijker dan stoppen met roken. Mochten jullie tips hebben: geef ze. Ik kan alle hulp gebruiken!